Genetisch gemodificeerde organismen

Inleiding

Vorig jaar hebben we tijdens ons congres ‘Food for thought’ standpunten gevormd over onze voedselsystemen. Hierin stonden onder meer begrippen als duurzame landbouw en het *voorzorgsprincipe centraal. Er bleef echter discussie over of GGO’s (genetisch gemodificeerde organismen) een rol kunnen spelen hierin. Daarom hebben we beslist om op dit vlak een vervolg te geven aan het congres en na een debat hierover onze standpunten in te nemen.

Het werd ons al snel duidelijk dat **genetische modificatie (GM) een technologie is met een brede waaier aan toepassingen die bijvoorbeeld ook in de geneeskunde tot belangrijke doorbraken leidt. In onze standpunten gaan we ons echter beperken tot GM in de context van de landbouw (zogenaamde groene GGO’s) om zo ook een duidelijk vervolg te kunnen geven aan het congres. Dit betekent niet dat de andere toepassingen van GM (zoals die in de medische sector, rode GGO’s) taboe of de heilige graal zijn voor Jong Groen, maar wel dat deze een eigen studie verdienen.

We spreken ons als Jong Groen niet uit tegen de GM technologie. Ze maakt beloftevolle claims zoals het verhogen van resistentie bij planten tegen plagen. De huidige toepassing van GGO’s leidt echter tot een machtsconcentratie van enkele multinationals zoals Monsanto, een neutraal tot negatief effect op biodiversiteit en een verlies aan autonomie bij onze boeren. Pure bedrijfseconomische overwegingen gedreven door winstmaximalisatie veroorzaken veel meer schade dan dat ze profijt opleveren aan mens en milieu. Als GGO’s voor ons een plaats zouden verdienen binnen het mondiale voedselsysteem moet ze kunnen bewijzen dat ze zowel ecologisch als economisch duurzaam zijn.

Standpunt Jong Groen

  • GGO’s in de duurzame landbouw

Om de voedselzekerheid te verenigen met een duurzaam milieubeleid, wil Jong Groen in de eerste plaats inzetten op een geïntegreerde ecologische landbouw, die maximaal gebruik maakt van de bestaande biodiversiteit aan landbouwgewassen en de principes van agro-ecologische landbouw. Indien met genetische modificatie een duidelijke vooruitgang kan geboekt worden om de milieu-impact van de landbouw te verminderen, door een hogere efficiëntie van deze techniek tegenover anderen, dan wil Jong Groen het kader scheppen om dit te gebruiken.

Het ontwikkelen van GGO’s die toepasbaar zijn in een agro-ecologische setting wordt niet ontmoedigd. Dit kan bijvoorbeeld gaan over varianten die resistentie vertonen tegen insecten, schimmels en andere pathogenen, de landbouw helpen inzake klimaatadaptatie (droogteresistentie e.a.), zij die de nutriënteninhoud van de gewassen kunnen verhogen of de toxiciteit van het gewas verlagen (cf. cassava). Resistentie moet multidimensioneel zijn om de kans op biologische doorbreking tot een minimum te beperken. GGO’s die werken op basis van resistentie tegen een herbicide worden ontmoedigd. Varianten op basis van herbiciden die volgens het WHO gevaarlijk zijn voor mens en milieu (bv. glyfosaat) moeten verboden worden in overeenstemming met het voorzorgsprincipe.

  • Veiligheid GGO’s

Jong Groen sluit zich aan bij de uitspraak in de inleiding van A decade of EU-funded GMO research, 2001-2010 dat genetische modificatie niet per se risicovoller is dan de conventionele plantenveredelingstechnieken. De introductie van een nieuwe GM variëteit wordt pas toegelaten als er na gepast en verantwoord onderzoek bevonden wordt dat er geen negatieve impact is op volksgezondheid en het milieu. Dit is noodzakelijke aangezien er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de veiligheid van GGO’s (ENSSER).

Iedere landbouwactiviteit heeft een welbepaalde impact op het milieu en deze hangt in de eerste plaats af van het gewas, gewaskenmerk (toepassing) en/of teeltwijze (landbouwsysteem), en veel minder van de soort veredelingstechniek. De impact op het totale DNA (i.e. genoom) is bovendien veel kleiner bij GM in vergelijking met andere hedendaagse veredelingstechnieken (waarbij de genetische wijzigingen amper gekend zijn, laat staan hun impact), omdat gentechnologie veel gerichter (specifieker) is. Je weet namelijk perfect welk gen (en eiwit waarvoor het gen codeert) aanpast is, of welke genen binnengebracht of gemodificeerd zijn geworden in je gewas. In het algemeen zijn er ook nog geen negatieve effecten vastgesteld op de volksgezondheid door consumptie van genetisch gemodificeerd voedsel (WHO).

Jong Groen pleit vanuit het voorzorgsprincipe wel voor gepast onderzoek naar de gezondheidsrisico’s en milieu-impact van een nieuw geïntroduceerde GGO gewas-variëteit. Een GM gewas-variëteit dient echter ‘case by case’ bestudeerd te worden, omdat (1) ieder gen codeert voor een ander eiwit (met andere eigenschappen en functies) en (2) iedere toepassing (strategie) een andere impact kan hebben. Wanneer er bij een bepaald eiwit een groter risico tot toxiciteit of tot impact op het milieu wordt vermoeden, moet geopteerd kunnen worden voor een langere termijn monitoring van de effecten. Wij pleiten ook voor een GGO-strategie die zo doelgericht en nauwkeurig mogelijk is, zodat enkel de doelwit(organism)en geaffecteerd worden en niet een brede groep aan soorten. Deze nauwkeurigheid kan uitgebreid worden door ervoor te zorgen dat het gemodificeerde of geïntroduceerde eiwit enkel in die delen van het gewas geproduceerd worden die relevant zijn voor het beoogde doel. Indien er een vermoeden is van grote verstoring van het ecosysteem vanwege een te groot selectief voordeel (‘case’-afhankelijk) kunnen we opteren voor steriliteit van de GGO, op voorwaarde dat dit de boer niet totaal afhankelijk maakt van de zaadproducent.

  • Wetenschappelijk onderzoek

Jong Groen ziet in dat onderzoek naar gentechnologie en GGO’s van belang is, niet enkel voor de fundamentele wetenschap en diverse toepassingen, maar ook om het maatschappelijk debat te voeden. Publiek onderzoek gebeurt onafhankelijk en in functie van de transitie naar een ecologische sociale en leefbare landbouw. Jong Groen pleit ook dat alle resultaten van dergelijk wetenschappelijk onderzoek openbaar zijn.

Wetenschappelijk onderzoek is van groot belang, zowel voor het fundamentele biologisch onderzoek, als voor toepassingen in verschillende domeinen zoals de medische, chemische en agrarische sector. Jong Groen wenst dit en ander wetenschappelijk onderzoek dan ook niet te onderwerpen aan extra barrières en juicht grondig, onafhankelijk en transparant onderzoek dan ook toe. Om dit te garanderen vraagt Jong Groen aan de verschillende academische instanties en onderzoeksinstituten om de resultaten toegankelijker te maken en dat overheden voldoende middelen voorzien naar fundamenteel en toegepast onderzoek, zeker als dit in functie is van de transitie naar een ecologische, sociale en leefbare landbouw. Dit maakt financiering van derde partijen minder noodzakelijk welke eerder oog hebben voor het commerciële aspect.

Zonder onderzoek kan er in de eerste plaats geen grondig debat plaatsvinden. Het is het kenmerk van een verlichte samenleving dat zij gezamenlijke beslissingen neemt op basis van wetenschappelijk onderzoek en feiten. Naast toepassingen van gentechnologie op zich (bv. het aanmaken van Hepatitis B vaccins), worden de resultaten van dit onderzoek ook gebruikt in de biologische landbouw om de veredeling meer gericht te laten lopen. Dit kan door bijvoorbeeld een aantal veredelingen op basis van gentechnologie in het labo te doen, om vervolgens enkel met de gunstige resultaten verder te werken op de klassieke manier.

  • Evenwichtige verdeling van onderzoeksbudgetten

Jong Groen pleit voor de oprichting van een Europees Agro-Ecologisch Instituut.

De afgelopen decennia is er veel geld naar onderzoek in de biotechnologie gevloeid. Er werd weinig aandacht besteed aan alternatieve methodes, zoals de agro-ecologie en biolandbouw. Bepaalde problemen kennen verschillende oplossingen, maar andere methodes naast biotechnologie kregen niet altijd een eerlijke kans. Jong Groen wil deze scheeftrekking aanpakken.

Daarnaast werd het grotere vraagstuk onvoldoende beantwoord, namelijk “Hoe komen we tot een duurzame landbouw die onze wereldbevolking kan voeden?”. Het is belangrijk dat er veel meer middelen vloeien naar de bredere onderzoeksvraag. Nadien kan er gekeken worden welke rol een bepaalde veredelingstechnologie daarin kan hebben.

Dit doen we door de oprichting van een Europees Agro-Ecologisch Instituut dat in eerste instantie de resultaten en uitkomsten in het agro-ecologisch onderzoek aan de verschillende Vlaamse universiteiten verzamelt. De samenwerking tussen al deze onderzoekseenheden moet dan op termijn uitgroeien tot een volwaardig Vlaams onderzoeksinstituut in de agro-ecologie. Samenwerking van dit instituut met andere instituten zoals het VIB is mogelijk, op voorwaarde dat het een evenwichtig partnerschap is en met een duidelijk maatschappelijk voordeel.

Extra bijlage: Voorstel A.9 zoals gestemd op ‘Congres Food for Thought’ in 2016 [niet ter stemming]:

Zaden en levende organismen zijn het intellectueel eigendom van de maatschappij en kunnen daarom niet geprivatiseerd worden. De privatisering van de bouwstenen van het leven (zoals zaden, DNA, rassen) leidt tot machtsconcentraties en marktverstoringen die op termijn nadelig zijn voor mens, dier en milieu. Patenten op DNA en genetische kenmerken kunnen dus niet worden gebruikt door private bedrijven om een monopoliepositie* op te bouwen binnen de markt. Het onderzoek naar nieuwe doorbraken blijven we stimuleren vanuit de overheid (zie ook Hoofdstuk 6, Deel

O. Onderzoek en Opleiding). Dit betekent niet dat bepaalde pistes op vlak van veredeling op voorhand afgeschoten worden. Zo moet er de kans gegeven worden om in te zetten op GGO’s (genetisch gemodificeerde organismen) indien onomstootbaar aangetoond is dat deze geen negatief effect hebben op de gezondheid van mens en dier.

Definities:

* Voorzorgsprincipe: Dit betreft een moreel en politiek principe van voorzichtigheid dat wordt toegepast van zodra er een gegrond vermoeden is dat een bepaald product of maatregel ernstige en onomkeerbare schade kan berokkenen aan het milieu en/of de samenleving. Die maatregel of dat product kan dan pas ingevoerd worden van zodra de onschadelijkheid bewezen is. Je hoeft dus niet te bewijzen dat de maatregel/ het product schadelijk is, om het te verbieden. Een gegrond vermoeden van schade is voldoende. Indien men een product of maatregel toch wil invoeren hoewel een vermoeden van schadelijkheid is vastgesteld, dient men echter wel sluitend bewijs (i.p.v. slechts een vermoeden) te leveren van onschadelijkheid.

** Genetische modificatie (of genetische engineering): Aanpassing van de genetische inhoud van een organisme door wijziging van de activiteit van een of meerdere genen (of toevoeging van genen), wat nieuwe eigenschappen kan introduceren in dit organisme. Nieuwe genen die toegevoegd worden aan het genoom (i.e. totale som genetische inhoud) van een organisme, kunnen afkomstig zijn van dezelfde of een kruisbare soort (cisgenesis), of van een niet-verwante soort (transgenesis).

Thema: